Thursday, January 12, 2012

Posted by Picasa
Winterlandschap
by Jacob Isaacksz Ruisdael
Posted by Picasa
Vue en Gooiland.
by Jacob Isaacksz Ruisdael
Posted by Picasa
Het Slot Ruysdael in de Bouwvenen in 1719 (boven)
De Bouwvenen met het Hoge Slot op de kadasterkaart van 1832.
Posted by Picasa
Het Slot Ruisdael op de grenskaart van 1719
Posted by Picasa
Het Slot Ruysdael staat op de Gooilandkaart
van ca. 1730 aangegeven als Ruyschendaal

Thursday, December 22, 2011

HET SLOT RUYSDAEL ONDER DE BAN VAN NAARDEN

De eigenaren van 't Slot

Het oudste en belangrijkste landhuis of Slot in de Bouwvenen stond reeds getekend op de 'Ronde kaart van Gooiland' uit 1521.(1) Tot ca. 1600 werd dit 'de Graft' genoemd. Na die tijd stond het bekend als 't Slot Ruysdael. Deze naam was afgeleid van de eerste eigenaar, de Amsterdamse burgemeester (1483) Dirck Heymansz Ruysch. Hij moet ook bouwland in de Blaricummer Eng bezeten hebben, want zijn naam kwam voor in het koptiendenboek van 1503-1504. Ruysch kwam in het bezit van de Graft door een lening van 1554 pond die hij, met twee poorters, verstrekte aan keizer Maximiliaan van Oosten­rijk. Op 22 januari 1488 vond dit plaats, waarbij Ruysch Gooise domeingronden in bezit kreeg.(2) De Graft lag aan de Gooiersgracht, die de grens vormde tussen 't Gooi (Graaf­schap Hol­land) en 't Sticht (Bisdom Utrecht). Bij een van de grensgeschillen verkende in 1526 de secretaris van Naarden, Pieter Aelmanszoon, de oostgrens in de omgeving van de Leeuwenpaal. Daar trof hij de Utrechtse belanghebbenden aan en hij noteerde:

"Ende den XXLX en dach Januarii laestleden zoe zijn die voire van Utrecht nae Blarecom tot in Dirck Heymanssoen huys­gen opter grafft, aten dronken en toeften dair, totdat die gedepu­teerde van Amersfoirdt, die een wagen volcx waeren, dair bij hem quamen". (3)

Hoewel Ruysch in 1509 overleed, doelde Aelmanszoon duidelijk op 'de Graft'. Een betrekkelijk groot gezelschap at en dronk daar, het 'huysgen' was dus redelijk groot.

Katrijn Ruysch, de dochter van Dirck, trouwde in 1491 met Gerrit Benningh, die in 1498 raad van Amsterdam was. Dit echtpaar bewoonde in 1526 waarschijnlijk de Graft en na hen volgde hun zoon Jan. Het 10e penningkohier uit 1543 vermeldde dan ook 'de huysinge van Jonge Jan Banninck'. De laatste van deze familie die de Graft bewoonde was Jan's zoon Gerrit, die in zijn functie als Raad van Utrecht ook wel Gerrit Goyertsz werd genoemd. Diens weduwe Jannetje deed 't Slot ca. 1600 over aan Willem Jacobsz Stachouwer. Lang bleef het niet in zijn bezit, want het werd voor of na zijn overlijden in 1612 verkocht aan Jacob Taets van Amerongen. De nieuwe eigenaar be­kleedde ca. 1586 regeringsfuncties in de stad Utrecht. Ook ditmaal was het bezit van korte duur, hij overleed 30 april 1619 op 't Slot Ruysdael. Zijn zoon Adriaen Taets van Amerongen verkocht 't Slot op 26 maart 1630 voor f 6000.- aan Johan Willemsz Stachouwer. (de zoon van de in 1612 overleden Willem Jacobsz Stachouwer) In 1631 werd in het leenregister (4) de overdracht als volgt ingeschreven:

"Den Weledelen Adriaen Taets van Amerongen, ende verclaerende dat hij aan Johan Stachouwer vercofft hadde het huis te Ruys­dael met zijne erven, graften, cingelen, landen, boomgaarden, tuinen, bepotingen ende plantagie daaraan behorende met nog een kamp weilands alles in de Naarder en Huizer Ban, misgaders een partije veenlants sterckende van het voorz. huis van Ruysdael tot Eemnes toe".

Johan Stachouwer bewoonde toen het, reeds eerder genoemde, Stachouwerhuis. Mogelijk verkocht hij daarom 't Slot aan Mr. Gerard Storm, advocaat-fiscaal van de Admiraliteit te Amster­dam. Na diens overlijden verkochten zijn erfgenamen Ruysdael in 1695 aan Adriaen Tijmensz Blom uit Eemnnes. Na diens overlijden vond er in 1722 een openbare veiling plaats namens de erfgenamen. De opgemaakte akte vermeldde. (5)

"Eerstelijk zekere Hoffstede van ouds genaamt het Slot oft Huys Ruysdael, bestaande uit een huismanswoning, bergje en schuurtje, met zijne Erve, Graften, Cingelen, Boomgaard, Tuijnen, bepoting en beplanting daaraan behorende, met een Weij Campje, gelegen aan de Zuydzijden van de Hoffstede, item de Steeg gelegen tusschen 't voorn. Weij Campje, en 't Huys off Singels alle onder de Ban van Naarden".

Met de nieuwe koper Gerard Gerardusz Ploos van Amstel uit Huizen (zoon van de Blaricumse Dominee Gerardus Jacobsz Ploos van Amstel) kwam 'Ruysdael' langdurig in het bezit van deze familie. In de Verpondingskohieren (een soort onroerendgoed-belastingboeken) volgde na Gerard, diens weduwe Jannetje Pieters van Oostveen. Vervolgens Jacob Gerritsz Schaap (zoon uit het eerste huwelijk van Jannetje met Mr. Gerrit Schaap), in 1784 Pieter Ploos van Amstel en in 1801 Jan Ploos van Amstel. (6) De laatstgenoemde Jan kwam zelfs nog voor in het eerste kadaster uit 1832, maar toen stond op het perceel geen gebouw meer.

De pachters van de Slotboerderij.

De verkoopakten tot 1722 vermeldden naast 't Slot ook een 'bouhuis' of 'huismanswoning'. Hiermee werd bedoeld de pacht­boerderij die, zoals vroeger gebruikelijk was, bij het landhuis hoorde. Voor 1800 werden veel landhuizen alleen zomers bewoond. Vandaar sprak men van Buitenhuizen, omdat men 's winters binnen de stad woonde. Als men het 'Buiten' bewoonde, verstrekte de boerderij: vlees, zuivel, groenten en fruit. De overgrote opbrengst ging naar de markt. Het werk werd verricht door de pachtboer. De landheer sloot met de pachter een pachtcontract, meestal voor zes jaar. Aangezien de landheer bepaalde eisen stelde bij aanname, was de vakbekwaamheid van pacht­boeren beter dan die van veel keuterboeren.

De pachters op Ruysdael lieten niet veel schriftelijke sporen na. Toch kwamen hun namen wel terecht in Doop-, trouw-, begraaf­boeken en oudrechtelijke akten. Ter aanvulling op hun patroniem werd vaak vermeld:

'woont op 't Slot', 'van 't Slot' of 'woont op Ruysdael'.

Ca. 1660 stond in een transportakte: 'Rut Jansz woont op Ruysdael'.

In 1712 huurde 'Lubbert Hendriksz op 't Slot' de Elfde schoof van een 'block op de Bouwvenen'.

Het R.K. begraafboek vermeldde in 1729 de overleden 'Jannetje van 't Slot' en in 1731 liet 'Jacocb Jansz op 't Slot' zijn zoon Pieter in de R.K. schuilkerk dopen.(7) Deze Jacob Jansz was bijna zeker Jacob Jansz Crijnen, die in 1708 voorkwam op de eerste erfgooierslijst en in 1732 in het Verpondingkohier van Blaricum.

'Harmen Roelen woonachtig op 't Slot' stond in 1760 vermeld in een akte en was Harmen Roelen Verwer, die ca. 1761 overleed. 'Jan Meintzen Ridder' vertrok in 1759 van Ruysdael naar Naarden en werd daar opgenomen als lidmaat van de Hervormde Kerk.

De meeste sporen liet Coenraat Lantweer na. In het 'Kerken-Raadtboek' van de Hervormde Kerk te Blaricum werd genoteerd:"Daarop is door den Praeses voorgelezen ende goedgekeurt een getuigschrift dat aan Coenraadt Landweer geboren te Over Engelo, gelegen in het graafschap Ravensberg, bij ons op het register der ledematen bekendt staat, ende in 't begin van Meij des jaars 1766 van Blaricum vertrokken is naar 't Slot genaamt Ruizendaal, behorende onder de banning van Naarden".

Coenraat kreeg veel leed te verduren op de pachtboerderij van 't Slot. In de maand september 1766 overleden daar drie van zijn kinderen op respectievelijke data 8, 19 en 27/9.(8) Mogelijk veroorzaakte een of ander drama deze sterfgevallen. Brandde de boerderij af of werd er vlees gegeten van aan de veepest gestorven koeien?

Familie (van) Ruysdael.

De beroemdste afstammelingen van een bewoner of pachter van de Graft waren de 17e eeuwse kunstschilders (van) Ruysdael. Aangetoond kon worden dat hun voorvaderen onder de naam 'Van der Graft', reeds in het begin van de 16e eeuw in Blaricum woonden. De familie behoorde tot de dorpsnotabelen, waaruit zowel een schout, een buurmeester als een schepen voortkwam. In hoeverre dit geslacht ooit de Graft bewoonde, hoewel hun naam daarop duidt, is tot nu toe onbekend.(9)

Een lid van de familie, Jacob Jansz van den Graft, verhuisde ca. 1590 van Blaricum naar Naarden, waar hij zich Jacob Jansz de Goyer noemde. Hij bezat spoedig in de Vesting een aantal woningen, was redelijk welgesteld en daarom kiesgerechtigd. Drie van zijn zoons namen als volwassenen de naam 'Ruysdael' aan. In Naarden was dat schepen Jacob Jansz Ruysdael en in Haarlem de kunstschilder Salomon en de lijstenmaker Izaak. De naamsverandering stond dus duidelijk in verband met hun afstamming uit Blaricum. Hoewel hun broer Pieter (verhuisd naar Alkmaar) zich 'de Goyer' bleef noemen, kan de aangenomen naam gediend hebben ter onderscheiding van de overige familietakken. De familie 'Van der Graft' in Blaricum splitste zich in o.a. 'de Goyer' en 'Creijnen'. Deze families bleven Rooms Katholiek, terwijl de 'Ruysdaels' doopsgezind en later gereformeerd waren.

Het meest beroemd werd Jacob van Ruysdael, geboren ca. 1625 als zoon van Izaak. Deze landschapschilder schilderde regelmatig in 't Gooi en omgeving. Mogelijk logeerde hij (als inwoner van Haarlem en later Amsterdam) dan bij familie in Naarden. Men meent dat hij ook zijn (veronderstelde) stamslot heeft geschilderd. Twee van zijn schilderijen zouden 't Slot Ruysdael kunnen voorstellen. Het ene: Weids landschap met kasteelruine (Vue en Gooiland) waarop ook een kerktoren staat die lijkt op de oudste toren van Blaricum. Het andere: Winterlandschap voorstellende een zwaar torenachtig gebouw met daarnaast een groot huis met rieten dak.(10) Het laatste schilderij zou mogelijk 't Slot Ruysdael met de boerderij kunnen zijn. Het bewijs leveren is moeilijk en daarom een vergelijking met oude landkaarten van dit gedeelte van 't Gooi. Op de 'Ronde kaart van Gooiland' uit 1521 staat tussen de kerken van Blaricum en Eemnes een groot gebouw met zware toren getekend, dat duidelijk de Graft (dus Ruysdael) moet voorstellen. Het gebouw is waarschijnlijk realistisch getekend, want het eveneens ingetekende 'Huis ter Eem' lijkt op een oude prent van dit landhuis.

Dan is er de grensklaart van 1719, opgemeten en getekend door Justus van Broekhuysen en Maurits Walraven. Op deze kaart, met schaal 1 : 2800, staat bij het opschrift 'Ruizendaal' een T-vormige plattegrond van ca. 22 x 20 m (11) De vraag blijft, is dit de plattegrond van 't Slot (dat in 1722 niet meer voorkwam in de akte) of moet dit de overgebleven boerderij zijn ? Het gebouw is omgeven door de Gooiersgracht en de daarop aansluitende slotgrachten. Vanuit Blaricum loopt de (nog bestaande, maar verplaatste) Slotweg naar de brug over de slotgracht. Het pad gaat via het slotterrein, langs het gebouw, naar de brug over de Gooiersgracht. Op oude landkaarten sluit deze brug aan op een verbindingspad naar Eemnes. Bij vergelijking tussen de plattegrond en het schilderij rijzen de vragen:Van welke richting is dit aanzicht genomen? Welk bruggetje is te zien, die over de slotgracht of over de Gooiersgracht? Mogelijk dat enkele standpunten daar een antwoord op kunnen geven. Het afgebeelde bruggetje ligt hoog, zodat er schepen onderdoor kunnen varen. In 1729 werd vermeld dat daar een klapbrug lag. Alleen in de Gooiersgracht zullen scheepjes met vee en hooi van en naar de nabijgelegen Maatlanden hebben gevaren. De gracht was in 1632 diep 5 voet en breed 12 voet.(12) Op het schilderij liggen de gebouwen naast elkaar en evenwijdig aan de gracht. Het zonlicht komt van links, afgaande op de schaduw. De enige positie van waaruit dit schilderij kan gemaakt zijn ligt ten oosten van de gebouwen. Als dit het Slot met boerderij zou zijn, stond de schilder Jacob van Ruysdael aan de Eemnesser oever van de Gooiersgracht. Jacob maakte dit schilderij omstreeks 1660, hij overleed in 1682.

Van 'het Slot' tot 'het Hoge Slot'.

Uit de akte van 1631 bleek reeds dat 't Slot Ruysdael, het bouhuis

(boerderij en een deel van de bijbehorende lande­rijen tot de Naarder Ban

behoorden en een overig deel tot de Huizer Ban. In de nog bestaande (vanaf

1732 tot 1806) Naardense 'Kohieren van de Verponding' werd dan ook 't slot

Ruysdael opgenomen. De eigenaren moesten het verpondingsbedrag betalen aan

Naarden en niet aan Blaricum.(13)

Volgens de akte uit 1722 bestond het oorspronkelijke Slot of Huys Ruysdael

niet meer. Alleen de 'huismanswoning' (pachtboerderij) met de omliggende

gronden werden genoemd en dat alles viel alleen onder de Naarder Ban. Het

jaarlijkse verpondings­bedrag vanaf 1732 was dan ook slechts f 5.-. Dit

bedrag kwam overeen met de belasting op een grote boerderij in de Vesting

Naarden. Toch bleef men, zowel in de Verpondingskohieren als in de akten

schrijven: 't Slot Ruysdael of Ruisendaal, zoals bij een verschil van

mening tussen de sloteigenaar en de erfgooiers. Hiervan getuigde een

verslag van de Vergadering van Stad en Lande van Gooiland, gehouden op 20

mei 1729­(14)

"Eenig verschil ontstaan zijnde door dien G(errit) Ploos van Amstel van

het Slot Ruisendaal achter Blaricum eigenaar zijnde, aan die van

Gooijland belet heeft het verder gebruik eene weg, gelegen ten zuyden van

zijn Slot, susteneerende dezer weg zijn eigendom te zijn, en dus niet

verpligt waar dien tot eenen gemeenen weg dien die van 't Gooy over te

laten, en daar zulks onaangename gevolgen konden hebben, zoo zijn tot

voorkoming daarvan genoemde partijen bij elkander geweest en

overeengekomen:

Dat Ploos van Amstel voor zich en zijne nakomelingen genoemde weg

afstaat ten vrije gebruik voor Personen, Beesten en rijtuigen heen en

weder.

Waartegen die van Gooiland zullen maken een hek op de voorschreven weg

en een klapbrug over de vaart en die ten eeuwige dagen onderhouden.

Dat wijders aan voornoemde Ploos van Amstel en zijn regt verkrijgende is

toegestaan zoveel sand als hij tot maken zijner dijk nodig heeft van de

gemeente te mogen halen en nog bovendien 20 voer zand mits willende halen

vooraf kennis te geven aan de Buurmeesteren van Huyzen en Blaricum, ter

voorkoming dat deze vergunning niet misbruikt worden, 't welke partijen

elkander belooft hebben na te komen"

Omstreeks 1800 verdween ook de boerderij en sindsdien stond het gebied

bekend onder de veldnaam 'Het Hoge Slot'. De gemeente Naarden bezat naast

delen van de Bouwvenen, net als de andere Gooise gemeenten, ook enclaves

in de zogenaamde Maatlanden. Ten oosten van Huizen, aan de Zuiderzeekust,

bezat Naarden gezamenlijk met Hilversum hooiland in de Hilversumse Hoge

Maat. (ook wel Naarder Aangerecht genoemd) In 1820 leidde deze verwarrende situatie er toe, dat in dit Maatland sommige eigenaren dubbel werden aangeslagen. Ze moesten grondbelasting betalen aan Naarden en Hilversum. Naarden ruilde daarop grond met Hilversum en sloot augustus 1820 een overeenkomst met deze gemeente waarbij:

"alle landerijen thans aankomende de Gemeente Hilversum bekend onder de

naam Bouwvenen met al deze aan kleeve van dien Effecte dat de Gemeente

Hilversum dezelve bij deeze afstaat en van dezelve bij deeze renuntieert

ten behoeve der Stad Naarden".

Spoedig na deze overeenkomst, in 1824, werden alle enclaves van de Gooise

gemeenten opgeheven. Via grondruil, op basis van de belastingopbrengsten,

werden de voormalige enclaves overge­dragen aan de aanliggende gemeenten.

Dit was nodig om bij de invoering van het kadaster in 1832 logische en

praktische gemeentegrenzen te krijgen. De totale Bouwvenen behoorden

vanaf die tijd tot de gemeente Blaricum.(15)

_______________________________________________

Noten:

1. Voormalige hofsteden in de Bouwvenen. Mededelingenblad van de

Historische Kring Blaricum, nr. 22. nov. 1995.

2. De eigenaars bewoners van het slot Ruysdael.

Tussen Vecht en Eem jrg. 5 - 1975. Ir. P.W. Vrij­landt.

3. Zwerftochten van Pieter Aelmanszoon, secretaris van Naarden 1525-1527.

Dr. Th. Enklaar - Hilversum 1934.

4. Leenregister St. Pauluisabdij nr. 505-9. fo. 180 - dd. 1631.06.03.

5. R.A. Urecht ORA 1786-2. Not W. Verweij, Eemnes dd. 1722.0­4.06.

6. R.A. Haarlem: Kohieren van de verponding, Naarden 1733 - nr. A 160.

Stadsarch. Naarden: Kohieren van de verpon­ding 1734-1806.

7. Streekarchief Hilversum : DTB Blaricum.

8. Streekarchief Hilversum : Impost op begraven Blaricum.

9. De eigenaars bewoners van het slot Ruysdael. Tussen Vecht en Eem

jrg. 5 - 1975. Ir P.W. Vrijlandt.

10. Jacob van Ruysdael. Meulenhoff/Landshoff, Amsterdam 1981.

11. ARA Hingman nr. 2594. Goylandt met de nieuwe limietschijding tussen

Goylandt en het Sticht van Utrecht. Volgens de Conventie dd. 14

julij 1719.

12. Eemnes - A. Johanna Maris - Utrecht - W. de Haan 1947.

13. R.A. Haarlem: Kohieren van de verpo0nding, Naarden 1733 - nr. A 160.

Stadsarch. Naarden: Kohieren van de verponmding 1734-1806.

14. Archief Stad & Lande. Resolutieboek 1717-1752. fo. 83/85.

dd. 1729.05­.20.

15. Stadsarch. Naarden: OAN 127.6. dd. Augustus 1824. Procesverbaal der

Grensregeling van Naarden 1824.

_____________________________

Bijgevoegde tekeningen en foto's bij artikel Hist. Kring Blaricum:

Afb. blz. 13 Geen onderschrift, dit had echter moeten, zijn:

Winterlandschap. Schilderij van Jacob van Ruysdael.

Afb. 11 blz. 15 Met onderschrift: Gooilandkaart van A. Perk 1832.

Inzet: Detail 'Ruysdael' volgens de kaart van Walraven en Van

Broeckhuysen anno 1719. Schaal 1 : 2500.

__________________________

Afb. blz. 10 Met onderschrift:

Schilderij: Jacob van Ruisdael, ca. 1668. Weids landschap met

kasteelruine. Vanaf 1800 bekend onder de naam "VUE EN GOOILAND"

De stijl van de kerk lijkt (volgens deskundigen) op het

Blaricumse Hervormde kerkgebouw.

Er wordt soms verondersteld, dat de ruine op de voorgrond 't

Slot Ruysdael is.

------------------------------------------------------------------------------

Het Slot Ruysdael gelegen onder de Ban van Naarden

Hist. Kring Blaricum 'DEELgenoot' Okt. 1996

F.J.J. de Gooijer

http://gooijer.nl.jouwpagina.nl